Munttoren


 
Muntplein 12/14
Amsterdam
Hendrick de Keyser
huidige vorm in 1620
Openbare ruimte

De Munttoren, met voetgangersdoorgang tussen de bloemenmarkt van de Singel en de Kalverstraat, maakte oorspronkelijk deel uit van een middeleeuwse stadsmuur.

Stadspoort
De Munttoren, gebouwd op een middeleeuwse stadsmuur, was onderdeel van de Regulierspoort, een complex van twee torens en een poort, gebouwd tussen 1480 en 1487.
Doordat de stad een nieuwe omwalling kreeg in 1585, verloor de poort zijn functie. Door een uitslaande brand in 1618 werd besloten om alleen de westelijke toren te herbouwen. Het gebouw met de puntgevels en dakkapellen daarachter werd in de 19e eeuw gebouwd op de plaats waar zich eerst een wachthuis bevond.

Munttoren
De stadssteenhouwer Hendrick de Keyser maakte in 1620 een nieuw ontwerp voor de torenstomp, het restant van de stadspoort. De bovenbouw kreeg een achtkante vorm, het loden gedeelte steunt op een houten skelet. De stenen toevoeging heeft boven elkaar liggende ingemetselde poorten, de loden bovenbouw kent een ingelegd motief van klassieke zuilen. De open spits, uurwerk met vier wijzerplaten en de latere toevoeging van het carillon maakten de nieuwe Munttoren compleet.

De naam verwijst naar het recht van muntslag, wat Amsterdam in 1672 tijdelijk kreeg toegewezen. Door de Franse overheersing werden de muntsteden Dordrecht en Enkhuizen tot bezet gebied verklaart, zodat in het wachtershuis van de Munttoren het geld werd geslagen. Het Muntplein ontstond doordat de brede brug over de Singel enkele malen verbreed werd. Tijdens de laatste verbreding in 1938 werd de voetgangersdoorgang gevormd.

Carillon
De toren bezit één van de vijf carillons van de gebroeders François en Pieter Hemony in Amsterdam. De anderen bevinden zich in de Oudekerkstoren, de Zuidertoren, de Westertoren en de klokkenkoepel van het Paleis op de Dam. Het carillon bestaat tegenwoordig uit 38 klokken en wordt elke zaterdag van 14 tot 15 uur bespeelt door stadsbeiaardier Gideon Bodden. (Tekst: Amanda Terpstra/ARCAM, foto: Jan de Wit)